Raadsleden: bekommer je vooral om de democratie

Er lekt te vaak energie weg uit burgerinitiatieven. Door praktische problemen maar óók omdat burgers botsen met raadsleden over de vraag hoe de zeggenschap te verdelen. Hoog tijd dus dat raadsleden hun rol op een nieuwe manier in gaan vullen, vindt Marije van den Berg. Daarom traint ze beslissers en ambtenaren om beter hun weg te vinden in de doe-democratie. En heeft voor beiden adviezen.

Democratische vernieuwing is een onderwerp dat Van den Berg mateloos boeit en waar ze haar vak van heeft gemaakt. Ze is als voormalig PvdA-raadslid en als bestuurslid van het burgernetwerk Stadslab Leiden goed thuis in de beide werelden van het samenspel overheid-burgers. Ze deelt haar ervaring en ideeën via haar bedrijf Whiteboxing en daagt daarbij beslissers en ambtenaren uit om nieuwe manieren te zoeken om met burgers samen te werken. Want, zegt ze, daar gaat vaak wat mis, en dan lekt de energie weg bij burgers, terwijl je die energie juist wilt benutten.

Frustratie

Een voorbeeld: een groep bewoners ontwikkelde samen met de medewerkers van de gemeente een plan voor een park in hun wijk. De hele wijk dacht mee, er werd overlegd en onderhandeld en alle ideeën werden in een mooi plan gegoten. Iedereen blij. Tot het bij de gemeenteraad voorlag en een raadslid bezwaar maakte tegen beplanting waarvoor was gekozen. Hij vond steun bij rest van de raad dus de beplanting moest anders – tot onvrede van de bewoners. “Dit raadslid vond dat hij uit algemeen belang handelde, maar je weet op zo’n moment dat je ook iets frustreert”, zegt Marije van den Berg.

Ze ziet het regelmatig gebeuren. “Veel raadsleden zeggen hardop dat ze willen dat burgers actief meedenken en doen, maar kunnen vervolgens de zeggenschap moeilijk delen en willen toch zelf het laatste woord hebben. Dat doen ze vaak vanuit een sterk gevoelde verantwoordelijkheid voor ‘het algemeen belang’, maar zonder helderheid over wat ze daar precies onder verstaan.”

“Steeds meer burgers zeggen: wie is de overheid dat die de regels bepaalt? Ben je als college en raad in staat om je toegevoegde waarde te laten zien?”

De vraag ‘wie bepaalt in het publieke domein’ is ook best een ingewikkelde, onderstreept ze. “Wie ergens de uiteindelijke beslissing over neemt of wie mag bepalen hoe de uitvoering gaat, moeten we steeds in de context bepalen. Het hangt af van wie welke verantwoordelijkheid wil, kan en mag nemen. Dat is ontzettend lastig en daarom moeten we het met elkaar hebben over hoe we dat doen. Steeds meer burgers zeggen: wie is de overheid dat die de regels bepaalt? De vraag voor het college en de raad is: ben je in staat om je toegevoegde waarde te laten zien? Je legitimiteit, zo je wilt.”

De rol van raadsleden

Die toegevoegde waarde zit volgens Marije van den Berg niet in het geven van je mening over de inhoud van een plan. “Er is meestal weinig behoefte aan nog een mening van iemand die er net iets minder vanaf weet. Er is wél behoefte aan volksvertegenwoordigers die zich bekommeren over de manier waarop we plannen maken en uitvoeren: de proceslegitimiteit.” Dus of het proces van een burgerinitiatief, maar ook ‘gewoon’ van de gemeente, volgens bepaalde democratische waarden verloopt. Belangrijke vragen zijn dan: is het proces voldoende transparant, doen alle relevante partijen mee, zijn we zuinig met belastinggeld, kunnen tegenstanders invloed hebben?

Marije van den Berg ziet nu vaak dat burgers iets op touw zetten en als het klaar is, raadsleden alleen nog maar kunnen reageren. “Terecht vragen raadsleden zich af als een mooi plan wordt gepresenteerd: wat doe ik hier nog? Ze zijn te vaak alleen maar toehoorders bij burgerinitiatieven, en staan verder buitenspel. Terwijl ze wel achteraf aangesproken kunnen worden, bijvoorbeeld door een groep bewoners die zich niet kan vinden in het burgerinitiatief.”

Dat kunnen we ook anders organiseren, hoopt Van den Berg. “Raadsleden zouden in een vroeger stadium betrokken kunnen raken bij een initiatief van burgers dat de overheid raakt. Ik adviseer ze om tijdig in gesprek te gaan met de initiatiefnemers en met de betrokken ambtenaar, en aan te geven dat je het belangrijk vindt dat dit en dit aspect wordt meegenomen. En te vragen of de bewoners van die en die flat ook meedoen, omdat je dat belangrijk vindt voor de representativiteit. En verbind je vervolgens ook aan het proces. Dat is trouwens nog vrij ongebruikelijk.“

Representativiteit

Gemeenteraadsleden aarzelen vaak om een groep actieve burgers meer zeggenschap te geven omdat ze zich afvragen of die groep wel representatief is. “Een terechte vraag“, zegt Marije van den Berg, “want representativiteit is een belangrijk aspect. Maar als je breder kijkt naar een initiatief, dan zie je dat er veel tegenover kan staan: meer sociale verbindingen in de wijk, betere ideeën, minder kosten wellicht, meer gezelligheid. Die voordelen moet je dan afwegen tegen het feit dat je een groep een preferente positie geeft. Als raadslid kun je die initiatiefgroep vervolgens wél vragen om te werken volgens bepaalde democratische waarden. Bijvoorbeeld door voorwaarden te stellen zoals transparantie over de manier van werken, of het expliciet maken van de argumenten waarop een beslissing is genomen.”

Experimenteren

Marije van den Berg moedigt bestuurders, raadsleden en ambtenaren graag aan om nieuwe dingen uit te proberen om te zien hoe de zeggenschap in het publiek domein eens anders te verdelen. Dat is overigens niet makkelijk, weet ze. “Raadsleden willen er graag zeker van zijn dat er politiek gezien geen gehakt van ze wordt gemaakt. Ze worden meestal niet beloond voor het stellen van een open vraag, maar voor het geven van een mening. De omgeving moet dus veilig zijn om je rol als raadslid anders in te vullen dan gebruikelijk.”

Ga daarom na welke passende manieren er zijn om een burgerinitiatief te behandelen, adviseert ze. “Misschien is een open gesprek met de initiatiefnemers goed op z’n plek, of misschien is het wel heel passend om vijf minuten stil te zijn voor er gereageerd wordt op een voorstel of plan van burgers. Dat klinkt zweverig, maar iedereen weet dat het zinvol kan zijn om eerst eens stil te worden voor je reageert. Laten we eens wat dingen doen die ongebruikelijk zijn maar wel kunnen helpen.”

Op een frisse, nieuwe manier

Kies bij het uitproberen van nieuwe vormen geen project waar het allemaal al makkelijk verloopt, is haar advies, maar juist een waar het pijn doet. Ze noemt een actueel voorbeeld van een stad waar een groep bewoners al lange tijd heeft gewerkt aan een plan voor de inrichting van een gemeentelijk terrein, maar nu duikt er een projectontwikkelaar op die meer geld biedt voor dat terrein.

“De gemeente wil het heel goed doen, maar je ziet dat iedereen geneigd is direct terug te schieten in de klassieke modus: fractieoverleggen, lobbyende inwoners, dichte deuren, en raadsleden en wethouders die daar soms voor staan en soms achter zitten. Hoe cool is het als je kunt zeggen als raad: we gaan proberen dit op een frisse, nieuwe manier op te lossen, want het is ook de oude manier van werken die deze pijnlijke situatie heeft veroorzaakt. Er is veel moed voor nodig om het zo te doen, maar het is wel nodig om te zorgen dat het samenspel met burgers beter gaat werken – met alle ingewikkeldheden die daarbij horen. Het gaat namelijk wel om wezenlijke dingen die we als samenleving samen moeten oplossen, het gaat over zorg, huisvesting, groen, energievoorziening, je thuis voelen in je gemeenschap.”

Besteed daarom je aandacht en energie aan de goede dingen, adviseert Marije van den Berg aan raadsleden en ambtenaren. “Focus op wat je het liefst met elkaar als burgers en overheid wilt bereiken. Welke inzet van de overheid is daarbij nodig? Een geveltuinproject is heel leuk, en je kunt als raadslid daar bloembollen gaan planten, maar je moet je gemeentelijke energie niet vooral richten op waar het werkelijke werk zit: de maatschappelijke opgave. Zorg dat wat je als gemeente kunt doen organisatorisch op orde is; probeer daar zo min mogelijk ‘politiek’ van te maken. Richt je als raadslid op de verbinding tussen ingewikkelde maatschappelijke opgaven (wat is er aan de hand?) en bestuurlijk handelen (wat is hier nu nodig, wat is een passende interventie van de overheid?).

En zorg dat je die democratische waarden goed in de vingers krijgt, zoals de vraag of de macht wel op de juiste plek ligt. Als je als raadslid op een bijeenkomst over de herinrichting van het stadshart bent, en de bewoners praten aan de ene tafel alleen maar over het groen, terwijl aan de andere tafel de gemeente zaken doet met een projectontwikkelaar, zie je dan wat er gebeurt, hoe het geld wordt verdeeld, wie de kwaliteit bepaalt van het eindresultaat? Dáár begint je invloed!”

Brief aan jezelf

Ze heeft nog een laatste advies: “Schrijf als raadslid eens een brief in gedachten aan nieuwe raadsleden waarin je ze vertelt hoe ze het beste om kunnen gaan met burgerinitiatieven. Dat is zeer leerzaam, want een brief aan iemand in dezelfde rol als de jouwe, is eigenlijk een brief aan jezelf. Veel raadsleden komen jammer genoeg weinig toe aan die reflectie, terwijl die heel hard nodig is, want deze tijd vraagt om passende volksvertegenwoordiging.”

Ambtenaren, wat zet je op het menu van je bestuurder?

Ambtenaren kunnen raadsleden helpen die hun weg zoeken in de veranderende verhoudingen overheid-burgers, zegt Marije van den Berg. Ze gebruikt daarvoor de metafoor van de bestelling en het menu.

“Als bestuur doe je een bestelling bij de organisatie en als ambtenaren stel je het menu samen. Ik vraag ambtenaren die op een andere manier willen werken of ze weleens iets anders op het menu zetten dan een ‘nota’ of ‘plan’ waar de raad met een hamer op kan slaan. Waar zouden ze wat jou betreft voor moeten kiezen, en hoe zorg je dat ze dat graag bij jou bestellen? Ga daarover het gesprek aan met de raadsleden die eisen willen stellen aan dat proces. Vraag ze wanneer ze hun handtekening zetten onder een project dat samen met burgers wordt opgepakt, waar moet het aan voldoen, wat vinden jullie belangrijk? Dan kun je iets op het menu zetten dat voor iedereen aantrekkelijk is!”

  “Zet als ambtenaar eens iets anders op het menu dan een ‘nota’ of ‘plan’ waar de raad met een hamer op kan slaan.”

Je kunt daar op een laagdrempelige manier mee beginnen. “Kom eerst eens in contact met die raadsleden die buikpijn hebben van wat er mis gaat in de relatie tussen de politiek en burgerinitiatieven. Spreek ze aan bij de borrel na een raadsvergadering en ga eens vervolgens eens koffie drinken om te bespreken welke criteria je samen kunt opstellen om te zorgen dat een raadslid bepaalde verantwoordelijkheden bij burgers wil leggen. Stel dat een raadslid bang is dat hij ergens mee akkoord gaat en er daarna een groep opduikt die het daar niet mee eens is, wat hij niet wist. Hoe maak je dat risico kleiner? Misschien moet je met elkaar rondlopen in een wijk, je daar oriënteren voordat de ambtenaar in gesprek gaat met de initiatiefnemers.“

Om dat gesprek met de samenleving te organiseren is niet altijd makkelijk, weet Marije van den Berg. “Het vraagt voorwerk. Neem contact op met medewerkers van de griffie, het presidium, of met de burgemeester als voorzitter van de raad. Doe dat met een concrete opgave bij de hand. Je zet dan als het ware een waardevol gesprek ‘op het menu’. En dan is het afwachten of een raadslid dat bij je wil bestellen.”

Dit interview is geschreven door Miranda Koffijberg en verscheen in maart 2017 in ‘PIONIEREN. Jaarmagazine over het democratisch samenspel van groene burgerinitiatieven en overheden’ is een eenmalige uitgave van Wageningen Environmental Research (onderdeel van Wageningen UR) in het kader van het Leernetwerk Samenspel burgerinitiatieven en overheden in het groene domein.